Charles du Bois wordt tijdens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940 - 1945) op 28 mei te Rotterdam geboren, waar hij samen met zijn twee jaar oudere broertje Theo en zijn ouders Theodorus du Bois en Maria Johanna Wilhelmina Gielen aan de Groene-hilledijk 165a woont. Zijn dierenriemsterrenbeeld is ‘Tweeling’ wat staat voor ‘creativiteit’. Zijn jeugdjaren brengt hij door met zijn vriendjes in Rotterdam-Zuid en hun speelterrein is ‘Het witte dorp’, ook wel ‘de Kiefhoek’ genoemd. Ook de speelweide met de visvijvers en de uitgestrekte grasvlaktes waren ideaal om te voetballen en andere spelletjes te doen, zoals het vangen van bijen of vlinders. Vissen was veruit favoriet! De woonwijk ‘Het witte dorp’ is ontworpen door de alom bekende architect J.J.P. Oud. Dit naoorlogse noodwoonproject is qua ontwerpstructuur onderdeel van de toen bekende stijlstroming ‘Mondriaan-stijl’. In de Kiefhoekstraat op nr. 72 woonde de jongste oom van moeders kant, Gerardus Johannes Gielen, die als beeldend kunstenaar, de Academie van Beeldende Kunsten had doorlopen. De gemeente Rotterdam voorzag hem van kunstopdrachten (zie Pieter Scheen). Door de beeldhouwwerken die zijn oom uit hout en steen maakte, is hij hem gaan zien als zijn grote inspirator op het gebied van de kunst. Door hem
wordt zijn latent aanwezige tekentalent aangewakkerd. Het altijd al smeulende vuurtje vat vlam! Haast elke zondagmiddag gaat hij bij zijn oom in de leer en samen zijn ze educatief bezig zich verder te ontwikkelen.
Het is uiteindelijk zijn oom die hem adviseert zich aan te melden bij de Academie van Beeldende Kunsten.
Du Bois woont op de tweede verdieping van een bovenwoning en daarvandaan kan hij via een trap een klein, onverwarmd zolderkamertje met puntdak bereiken. Daar slaapt hij samen met zijn broertje Theo en daar worden in alle stilte, eenzaamheid en afzondering van iedereen zijn surrealistische dromen geboren. Het zolderkamertje is zijn heilig domein en het is voor vreemden verboden om zijn atelier te betreden. ‘s Zomers als de zon op mijn puntdak van mijn kleine atelier stond te schijnen werd het er bloedheet en zat ik daar dagelijks te tekenen met alleen maar mijn onderbroekje aan terwijl de transpiratiedruppels per ongeluk op mijn tekening vielen.
Alleen de tjilpende mussen op de rand van de dakgoot waren mijn maatjes tijdens het tekenen. Vanuit mijn zolderkamerraam kon ik schuin naar beneden in de achtertuin kijken waar ik de bestaande en de nieuwe beeldhouwwerken kon zien staan. Mijn hele leven lang ben ik mij ervan bewust dat ik als surrealistisch kunstenaar door het leven wil gaan.